Column Rashid Novaire over Plantage d'Amour

Rashid Novaire, schrijver van o.m. Maisroest, Het lied van de rog en Afkomst, bezocht de scholengemeenschap Reigersbos in Amsterdam Zuidoost. Daar werd door Liesbeth Accord een les over Clark Accords roman Plantage d'Amour gegeven. Zijn indrukken van de les, en de leerlingen, vatte Novaire in een korte column over literatuur en verwantschap.

Ik ben het niet
 
Achteraf, toen ik in de metro van Reigersbos naar mijn huis terugreed en ik in de schemering de flats van Zuid-Oost passeerde, massief en ietwat dreigend, bijna alsof het grote honden waren, naar achteren getrokken door onzichtbare lijnen, was ik teleurgesteld in mezelf dat ik niet meteen een lijstje met namen had gemaakt van de kinderen die aanwezig waren geweest bij de leesclub op het SGR. Een stuk of zeven á acht leerlingen. Een konmakandra. Om te spreken. Over een boek en een leven. Over Plantage d'amour. Over het leven van Clark Accord. Ze hadden zulke sprankelende vragen gesteld. Ze waren op natuurlijke wijze zo nieuwsgierig geweest.
Ik had hun namen gelijk willen memoriseren. Nu bleef ik achter met de schoonheid van hun anonieme gezichten. 
Ik had Liesbeth Accord gemaild met het verzoek te komen vertellen over een schrijver in de familie. Ietwat laat was ik. Liesbeth Accord was al begonnen te vertellen. Ik kwam binnen in het klaslokaal en voelde me opgenomen in een gewijde stilte waarin de woorden van mevrouw Accord die de namen opnoemde van het succesrijke oeuvre van haar broer zachtjes uitwaaieren. 
Ze gaf ook een zwart-wit foto door van een familie in Suriname. De familie Accord. De foto werd doorgegeven en alle leerlingen van de leesclub konden raden wie de schrijver was en wie de zus was van de schrijver. Ik had vragen voorbereid over het boek. 
Over Watramama, over voorouder rituelen en de woorden waarmee slavernij wordt aangeduid, woorden die eer doen aan verleden en geleden tijd of die tijd juist opnieuw oproepen door neerbuigende frasen. 
Maar tegen een foto kan een vraag niet op. 
Ik kijk naar de voorovergebogen gestalte van Liesbeth Accord en naar de aandacht waarmee de kinderen gezichten herkennen, vergelijkend, zich richtend op het smartboard met Clark's ravissante verschijning en de rij kinderen in de tropen, zoveel jaar geleden. 
Ja, dat is Clark. Ja, dat is Liesbeth.
De kinderen raden goed. Ik wil me onderdompelen in de glans op hun mooie gezichten.
Liesbeth Accord vertelt kalm en waardig over hoe dit boek, deze roman over Kenneth en Nadira, over het land van de navelstreng, over een zwarte man die in Nederland woont en naar Suriname terugkeert na vele jaren, in de angst voor arrogante Bakra te worden versleten, tot stand is gekomen in een race tegen de tijd, tegen de dood in.
'Hoe voelt het als je weet dat je een boek misschien niet kan afmaken omdat je doodgaat?,' dat is de vraag die in de lucht hangt. 
De vraag die ons in feite over de tijd heen tilt, naar herinneringen, naar de café's van het centrum van Amsterdam waar Clark werd omhelsd, naar de weelderige planten in de paarse schaduw van de avondzon op Plantage Berlijn waarover hij schreef. 
Naar alle details die de bladspiegel van het boek beroeren; het ijs in de fles om de dorst te lessen, naar de Kakantri, naar de Coromantijn die in vogels veranderen, naar het hart van een schrijver dat het niet lang meer houdt maar nog wil getuigen van alles wat erin leeft.
Het was een gewone winterdag buiten, maar de aandacht van de kinderen geeft de Nederlandse grijsheid een nieuwe gloed.
Ze kijken naar Liesbeth Accord en vragen zich af hoe het is om de zuster van een schrijver te zijn.
Dit is ongeveer wat een meisje zei met oplichtende ogen; 'Kon u in zijn hoofd kijken en dachten jullie dan dezelfde dingen?' 
Dit is wat ik denk: dezelfde dingen, doorstromen door tijd en geschiedenis zoals Clark Accord wilde doen in zijn onvoltooide roman, verbanden leggen die de geschondenheid en de kracht van onze voorouders tonen. 
Dat is wat literatuur kan doen. Dat is wat de leerlingen van het SGR opzoeken in hun vrije tijd en waarom ze zich hebben toegelegd op het lezen van Plantage d'amour.
Zodat, als iemand hen vraagt waar de afstandelijkheid en de onrust vandaan komt die de samenleving soms zo gijzelt, ze kunnen antwoorden;
"Ano mi - ik ben het niet."
Of ik ben het soms.
Maar ik lees verder.    
                                                                                     Rashid Novaire